Jonge families

hand van man vrouw en kind die elkaar vasthouden
Logo Universiteit van Amsterdam

(AISSR)

Sommige families lopen een hogere risico op impact dan andere. Hierbij horen families met jonge kinderen, kinderen met een migratie achtergrond, sommige van hun zonder ouders, of jongere uit lage inkomensbuurten. De Sarphati Cohort is een studie in de ontwikkeling en gezondheid van Amsterdamse kinderen en helpen bij preventie van niet overdraagbare ziektes zoals diabetes, obesitas en hart- en vaatziekte, beginnend van een jonge leeftijd. De cohort omvat kinderen die hulp ontvangen van de Jeugdgezondheidszorg (JGD) bij de Gemeenschappelijke Gezondheidszorg (GGD) in Amsterdam en bij de Stichting Amsterdamse Gezondheidscentra (SAG) Ouder en Kind teams. De impact van COVID-19 op een selectie van dit cohort zal worden gemeten door wekelijkse telefoon interviews van rond de 15 minuten met 20 participerende ouders. De telefoongesprekken zullen worden opgenomen, getranscribeerd, opgeslagen en centraal gedeeld (met de ouders toestemming). Aanvullend is er voorgesteld om een online focus groep bijeenkomsten te organiseren voor ouders zodat zij ervaringen kunnen delen en gezamenlijk beleidsveranderingen kunnen voorstellen. Data resultaten kunnen in context en contrast gezet worden met eerder vergaarde data dat onder andere informatie bevat over voeding, beweging, slaap, groei, opvoeding en achtergrond kenmerken.

Tussentijdse Resultaten

Covid-19 maatregelen, pandemische dreigingen en het alledaags leven met kleine kinderen

Christian Bröer, Carolien Bouw, Noa Vlaar, Femke Borst, Rein de Sauvage Nolting, Gerlieke Veltkamp

Universiteit van Amsterdam, Afdeling Sociologie

Op welke manier grijpen Covid-19 maatregelen in in het leven van ouders en kinderen, hoe ervaren ouders sociale afstandsmaatregelen, hoe lossen zij alledaagse problemen op en wat kunnen beleidsmakers hiervan leren? In dit tussenrapport proberen we eerste antwoorden te geven op deze vragen. Daarbij kijken we hoe de sociale omstandigheden doorwerken in de manier waarop gezinnen omgaan met sociale isolatie. Later beschrijven hoe het leven in de gezinnen, die wij al langer volgen in de Sarphati Etnografie, op de lange termijn beïnvloed wordt door Covid-19 maatregelen.

Voor deze eerste ronde van het onderzoek is het ons gelukt om 21 gezinnen te spreken waarvan interviews met 17 daarvan in de analyse zijn betrokken. We hebben tussen de 1 en 3 gesprekken met de gezinnen gevoerd. Hieronder beschrijven drie thema’s die in de meeste gezinnen duidelijk spelen en wat we daarvan zouden kunnen leren voor het Covid-19 beleid.

1: Ik houd zielsveel van mijn kinderen, maar…

Het alledaagse leven van ouders met jonge kinderen kent talloze voor de hand liggende grotere en kleinere problemen. Bijna alle ouders vertellen dat zij lichamelijke beweging, sociaal en fysiek contact en uitstapjes zoals een bezoek aan een café missen. Boodschappen doen met de kinderen is lastiger en brengt nauwelijks vertier meer met zich mee. Thuis werken is belastend omdat kinderen inbreken of omdat de zorgtaken het werk versnipperen. We zien dat ouders proberen zich hieraan aan te passen, maar dat lukt zelden goed. Het verlangen naar meer ruimte blijft groot. Een nadere analyse moet uitwijzen of opening van basisscholen en opvang hierin voldoende verlichting geeft gebracht. Dat een groot deel van het leven zich nu thuis afspeelt is niet alleen “heel gezellig” maar ook “heel vermoeiend” (11, 10:8). Moeders hunkeren naar vrije tijd, naar tijd voor zichzelf, tijd om naar buiten te gaan zonder de kinderen:

Moeder: “Ik snak naar vrije tijd, een uurtje voor mezelf”.

Onderzoeker: “Wat zou je dan doen?”

Moeder: “Hardlopen, wandelen, lezen, slapen”.  (Gezin 8, 2:10)

Hoewel niet alle moeders dit letterlijk zo zeggen bespeuren wij een gevoel van fysiek en sociaal opgesloten zijn in het gezin. In gezin 6, waar net een tweede kind is geboren, werkt de ene moeder voltijds thuis en omdat de andere moeder tijdelijk geen werk heeft neemt zij de meeste zorgtaken op zich. Dat wordt haar wel eens teveel:  

“Ik houd zielsveel van mijn kinderen, maar ik word er gek van om 24/7 met hen door te brengen”. (Gezin 6, 7:7).

Wanneer de spanningen te groot worden draagt deze ouder de zorg over en vlucht naar buiten om op adem te komen. De behoefte om buiten, het liefst alleen, te kunnen bewegen, te kunnen wandelen of sporten, lijkt bij meer ouders te spelen. De moeder van gezin 11 zegt:

“(Je bent) aan huis gekluisterd. Je kan niet sporten. Je kan niet afspreken. Je kan niks”. (Gezin 11, 10:12).

De drang van ouders om ook afstand te nemen van het gezin zien we niet alleen bij het leven in sociale isolatie maar wordt er wel door versterkt. Ouders hebben ook afstand van het gezin nodig.

2: We mogen niet klagen

Bijna alle ouders die we hebben gesproken zeggen het goed of redelijk goed te hebben en vertellen, aanvankelijk althans, niet over grote problemen. Zeker in het begin van de gesprekken maar ook tussendoor relativeren zij hun situatie:

“We mogen niet klagen maar het is wel uitdagend. Je hebt geen moment rust maar we zijn allang blij dat we thuis kunnen werken”. (Gezin 47, 19:9)

Bijna alle ouders die we hebben gesproken relativeren de problemen die zij ervaren. Dat doen zij op twee manieren: door te benadrukken dat anderen in een vergelijkbare situatie hetzelfde doormaken of door de eigen last te vergelijken met de in hun ogen grotere problemen van anderen zoals patiënten, zorgpersoneel, ZZP’ers of mensen in de kunstsector. We zien hier een actieve en op de sociale context gerichte vorm van “emotie-management”. Mensen reguleren hun gevoelsleven op basis van hun inschatting van de vermoedelijke omstandigheden waarin anderen zich bevinden.

3: We volgen de regels strikt, met uitzonderingen

Alle gezinnen zeggen de regels voor sociale afstand en hygiëne te volgen. Tegelijkertijd is er veel variatie in de wijze waarop zij de regels inpassen in het leven van alledag. Enkele ouders zijn strenger dan strikt noodzakelijk en houden bijvoorbeeld hun kinderen een tijd lang volledig thuis. Zij doen dit naar eigen zeggen om “geen onnodig risico te nemen” (Gezin 5, 6:3). Moeders wijzen in dit verband ook naar de onzekerheid in kennis. Deze relatieve onzekerheid kan zich ook vertalen in angstige gevoelens. In Gezin 43 twijfelt moeder of zij haar kind na de meivakantie weer naar de opvang moet brengen:

“Er wordt gezegd dat de verspreiding tussen kinderen weinig is maar de kans is er wel altijd dus dat maakt mij wel angstig.”  43, 16:3

De respondent zegt, terecht, dat er altijd een kans is op besmetting. Het probleem waar zij en alle ouders in enige mate mee lijken te worstelen is hoe risico’s en kansberekeningen vertaald moeten worden naar beslissingen. Deze biedt ouders ook de ruimte om wat minder streng te zijn.

We zien dat ouders regels zo oprekken dat deze aansluiten bij wat er in het gezin belangrijk wordt gevonden. Wanneer het gaat om een bezoek aan oma of opa, bijvoorbeeld, dan zijn die bezoeken soms wel mogelijk omdat oma nog “fit” is en het risico daardoor lager. In een ander gezin draait de pragmatische afweging om het kind. Moeder spreekt nog wel af met haar vriendin die eveneens een klein kind heeft. Die vriendin, zegt zij, is zelf ook heel voorzichtig met sociale contacten en:

“Kinderen snakken gewoon naar andere kinderen, dat is moeilijk te ontzeggen”. (11:6)

De behoefte aan contact kan ook bij de ouder zelf liggen. Ouders voelen zich weleens erg allen, missen contact en aanrakingen. In een gezin gaan de ouders wel eens samen boodschappen doen omdat zij elkaar de hele dag niet hebben gezien en even bij elkaar willen zijn. En wanneer een vriendin dat nodig heeft dan geeft moeder haar wel een knuffel, kortom:

“We volgen de regels strikt, met uitzonderingen”. (17:1)

Aanbevelingen voor Covid-19 beleid

Bovenstaande paragrafen bevatten al denkrichtingen voor beleid.

  • Thuis en het gezin lijkt doorgaans onvoldoende om het welzijn van de onderzochte gezinnen in stand te houden. School, opvang en meer in het algemeen collectieve voorzieningen zijn hard nodig hiervoor.
  • De burgers die wij hebben gesproken reguleren angst, woede en andere emoties naar hun waarneming van hoe goed of slecht anderen het hebben. Er is een stevige basis voor solidariteit. Tegelijkertijd is deze solidariteit niet vanzelfsprekend. Wanneer het publieke beeld van politiek en beleid of van het leed van andere burgers zou kantelen, kan ook de solidariteit weer eroderen.
  • Om het beleid voor sociale afstand en hygiëne in te passen in het dagelijkse leven passen burgers eigen criteria toe. Dat is onontkoombaar gezien de inherente onzekerheden in wetenschap en politiek. Meer nog, de “eigen wijsheid” van ouders is nodig om het welzijn van de gezinsleden in stand te houden en zo juist zoveel mogelijk aan de nieuwe regels te voldoen. Het is denkbaar dat rijksbeleid de pragmatische omgang met regels niet alleen toestaat maar nog nadrukkelijker waardeert en stimuleert.