Deelproject 1: Onderwijs. Leraren, thuisonderwijs, en de digital divide

Op 16 maart 2020 sloten de scholen in Nederland, en moest er abrupt omgeschakeld worden naar digitale middelen voor onderwijs en het contact met leerlingen en ouders. Het is waarschijnlijk dat deze overgang naar digitaal onderwijs niet voor alle leerlingen even gemakkelijk verloopt, en dat ongelijkheden in het onderwijs zullen toenemen. Ouders verschillen in de mogelijkheden die ze hebben om te helpen bij schoolwerk (Bol 2020), en als gevolg van (toenemende) sociaal-economische segregatie tussen scholen concentreren zulke problemen zich vermoedelijk steeds vaker op dezelfde scholen (Inspectie van het Onderwijs 2018). Scholen verschillen in de aanwezigheid van ICT-middelen (Wei et al. 2011): zo hebben sommige scholen een digitale schoolomgeving waar leerkrachten gebruik van konden maken tijdens de schoolsluiting.

Naast de sluiting van de scholen, leidde de coronacrisis ook tot het schrappen van de Eindtoets op de basisschool en de Centrale Examens op de middelbare school; relevante beleidsmaatregelen die in een aantal studies bevorderend werken voor kansengelijkheid (Van de Werfhorst et al. 2015). De effecten hiervan zullen pas op middellange termijn kunnen worden onderzocht, maar in het huidige project doen we eerste onderzoeken naar de ongelijkheidseffecten van de coronacrisis. Ook treffen we voorbereidingen om deze vraagstellingen op middellange termijn in kaart te kunnen brengen.

Het onderzoek in dit werkpakket richt zich op drie thema’s: (1) ongelijkheden in thuisonderwijs, (2) afstandsonderwijs vanuit leraarsperspectief, en (3) het in kaart brengen van de ‘digital divide’ via een combinatie van school- en leerlingskenmerken die thuisonderwijs faciliteren. 

Kansenongelijkheid en thuisscholing

Thijs Bol

Een belangrijke consequentie van de schoolsluiting is dat ouders primair verantwoordelijk werden voor het onderwijs van hun kinderen. Kansenongelijkheid als gevolg van verschillen in hulpbronnen is er altijd al, maar dit kan worden versterkt door het “thuisonderwijs”: ouders krijgen meer verantwoordelijkheid, en dus neemt het belang van de hulpbronnen ook toe.

We brengen in kaart hoe hulpbronnen ongelijk verdeeld zijn tussen leerlingen in het primair en secondair onderwijs. Wie hebben er in de periode van de schoolsluiting minder toegang gehad tot hulp, en welke hulpbronnen ontbraken daarbij? Wat zijn de gevolgen voor de kinderen wanneer het gaat om hun sociaal-emotionele uitkomsten (spanning, stress, eenzaamheid)? Op welke scholen clusteren kwetsbare kinderen zich, en hoe zijn de gevolgen van thuisscholing verdeeld over scholen in Nederland?

Om deze vragen te beantwoorden gebruiken we gegevens van twee dataverzamelingen over thuisscholing die plaats hebben gevonden. Allereerst gegevens van ongeveer 800 ouders en hun kinderen uit het nationaal representatieve LISS Panel (voor meer informatie, zie Bol, 2020). In deze data zijn gegevens verzameld over kinderen in het po en vo en is er informatie over de manieren waarop en de mate waarin ouders hun kinderen hebben ondersteund tijdens de periode waarin onderwijs op afstand werd verzorgd. Een tweede afgeronde dataverzameling heeft plaatsgevonden onder ongeveer 2,500 ouders uit het Kantar Panel[1]. Hier zijn zowel ouders als kinderen ondervraagd over hoe zij de situatie tijdens de schoolsluiting hebben beleefd en opgelost. De data bieden de mogelijkheid om ook in kaart te brengen hoe kinderen de periode van thuisscholing beleefd hebben. Zowel de gegevens uit het Kantar Panel als het LISS Panel kunnen gekoppeld worden aan de bevolkingsregisters van het CBS, waardoor we de vraag kunnen beantwoorden op wat voor soort scholen leerlingen die het moeilijk hebben gehad tijdens de thuisscholing zich vooral bevinden.

Dit deelonderzoek naar thuisscholing biedt belangrijke handvaten voor beleid: enkel wanneer duidelijk is wie er het hardst getroffen zijn door de schoolsluiting kan er actief gestuurd worden op deze groepen, bijvoorbeeld met bijscholing. Daarnaast laat het onderzoek welke hulpbronnen het meest ongelijk verdeeld zijn. Zijn het vooral materiele verschillen die belangrijk zijn, of is de rol van ouderhulp groter? Door de koppeling van de enquêtes aan de registers is het mogelijk om in kaart te brengen of sommige scholen meer nadelen hebben ondervonden. De ze bevindingen zijn niet alleen relevant voor het actief verkleinen van ontstane ongelijkheden, de resultaten laten ook zien waar beleid en scholen hun aandacht op kunnen richten om ongelijkheidsvergrotende effecten van mogelijke toekomstige schoolsluitingen tegen te gaan.


[1] Deze dataverzameling is een samenwerking tussen de UvA en Universiteit Maastricht en is gefinancierd door het Ministerie van OCW.

Onderwijs in tijden van corona: een enquêteonderzoek onder leraren op de basisschool

Sara Geven

De corona-crisis heeft ook grote gevolgen (gehad) voor het onderwijspersoneel op de basisschool. Ten eerste moesten scholen abrupt omschakelen naar digitaal onderwijs. Het is waarschijnlijk dat scholen verschillen in de mate waarin zij leerlingen en ouders digitaal de aandacht hebben kunnen bieden die zij nodig hebben. De omschakeling kan bijvoorbeeld lastiger zijn geweest voor scholen met een groter aandeel kansarme leerlingen.

Ten tweede werd de Eindtoets geschrapt, waardoor de schooladviezen niet meer omhoog konden worden bijgesteld op basis van de Eindtoets. Onderwijspersoneel lijkt verschillend om te gaan met deze situatie: sommigen overwegen toch nog bijstellingen in de adviezen en anderen niet (Geven 2020a). De groep die wél bijstellingen overweegt doet dit om uiteenlopende redenen, zoals de wensen van ouders of de ontwikkeling van leerlingen in de afgelopen periode. Dit kan tot ongelijkheid leiden tussen scholen.

In dit onderzoek beantwoorden wij de volgende onderzoeksvragen: hoe hebben scholen met verschillende leerlingpopulaties hun onderwijs tijdens de schoolsluiting georganiseerd? Welke scholen hadden meer moeite om in contact te komen met leerlingen en ouders en (daardoor) minder tijd om effectief onderwijs te geven? En welke scholen overwegen op basis van welke criteria nog bijstellingen in de schooladviezen?   

Om deze vragen te beantwoorden gebruiken we enquêtedata die zijn verzameld tijdens de schoolsluiting onder 94 medewerkers die betrokken zijn bij de schooladviezen op de basisschool. Dit onderwijspersoneel werkt op 56 scholen verspreid over heel Nederland. De scholen zijn representatief wat betreft het aandeel leerlingen uit kansarme milieus (i.e. gemiddeld leerlinggewicht), de denominatie van de school, en de provincie en stedelijkheid van de locatie van de school (Geven 2020b).

Met deze data hopen we voor beleidsmakers in kaart te brengen welke scholen tijdens de schoolsluiting effectiever onderwijs hebben kunnen bieden, welke scholen het meeste moeite hadden om alle leerlingen goed te ondersteunen in deze periode, op welke scholen het contact met ouders en leerlingen moeizamer verliep, en hoe er op verschillende scholen aangekeken wordt tegen het vervallen van de Eindtoets. Op deze manier hopen we beleidsmakers bijvoorbeeld te informeren over de opgelopen leerachterstanden op verschillende scholen en welke scholen en leerlingen extra aandacht behoeven.

Afstandsonderwijs: de visie van leerkrachten op de basisschool

Monique Volman

In aanvulling op bovenstaande enquete, is nog een onderzoek gaande onder Amsterdamse basisscholen, waarbij een aanvullende dataverzameling is gepland onder leraren en leerlingen. Met dit onderzoek onder ongeveer 20 leerkrachten gaan we na hoe zij het afstandsonderwijs hebben vormgegeven, en of zij ongelijkheid en diversiteit in ogenschouw nemen in hun aanpak. Later (na de financieringsperiode van dit kortlopende project) kunnen de data ook gekoppeld worden aan leerlinggegevens, en kan worden onderzocht in hoeverre verschillende aanpakken gerelateerd zijn aan leerlingwelzijn.

Welke leerlingen zijn corona-proof? Leerling- en schoolkenmerken en de ‘digital divide’

Herman van de Werfhorst, Sara Geven

Nu het onderwijs grotendeels digitaal is gegaan, en ook na de heropening van scholen vermoedelijk nog een aanzienlijke tijd deels online zal gebeuren, komt de zogenoemde ‘digital divide’, of digitale ongelijkheid, scherp voor het voetlicht (Castells 2002; DiMaggio et al. 2004). Tot dusver worden er in de literatuur drie niveaus van digital divide onderscheiden: ongelijkheid in toegang tot moderne technologie, ongelijkheid in vaardigheden om technologie te gebruiken, en ongelijkheid in de effecten van het gebruik van technologie op verdere uitkomsten (Hargittai and Hinnant 2008; Scheerder et al. 2017; Van Dijk 2005). In de coronatijden kan er nog een vierde niveau van ‘digital divide’ aan worden toegevoegd. Niet alleen moeten individuen (leerlingen) toegang en vaardigheden hebben, maar moeten ook de scholen voldoende toegerust zijn, zowel op het gebied van infrastructuur als op het gebied van vaardigheden van docenten. Dit vierde niveau betreft dus een ‘multilevel’ digital divide. Aan de hand van de International Computer and Information Literacy Study, een vragenlijst afgenomen onder tweedeklassers, leerkrachten en directeurs in het voortgezet onderwijs in een aantal landen in 2018, brengen we in kaart in hoeverre leerlingen ‘corona-proof’ zijn; een combinatie van toegang en vaardigheden van zowel de leerlingen zelf als de school waar zij naartoe gaan. Dit relateren we aan sociaal milieu, migratieachtergrond en sekse. We onderzoeken of de digital divide groter is in landen met beperktere ICT-infrastructuur, en in landen met een grotere mate van inkomensongelijkheid. Omdat de ICILS 2018 niet Nederlandse leerlingen omvat, doen we tevens onderzoek aan de hand van de Teaching and Learning International Survey (TALIS 2018), verzameld in 45 landen waaronder Nederland. Aan de hand van deze enquete onder leraren en schooldirecteuren van het voortgezet onderwijs brengen we in kaart in welke mate scholen met verschillende leerlingpopulaties naar sociaal-economische achtergrond en migratieachtegrond goed voorbereid zijn voor online onderwijs, in termen van de vaardigheden van docenten en de voorzieningen die de school treft (preregistratie: Van de Werfhorst, Kessenich en Geven 2020). Resultaten van dit onderzoek geven handelingsperspectieven op voor scholen, onderwijsbesturen en onderwijsbeleidsmakers. Om potentiële (extra) achterstanden als gevolg van de pandemie te voorkomen in tijden waarin digitaal onderwijs de norm is, is het zinvol om te weten of verschillen naar sociaal-economische of migratieachtergrond niet alleen bestaan in de hulpbronnen die mijn thuis meekrijgt en in de digitale vaardigheden die leerlingen zelf hebben, maar ook in de voorzieningen en ICT-kwaliteit van de scholen waar leerlingen met verschillende achtergronden naartoe gaan.    

De overgang van basis- naar voortgezet onderwijs: voorbereidingen voor een studie van het huidige cohort

Thijs Bol, Sara Geven, Herman van de Werfhorst

In aansluiting op een lopend onderzoeksproject (PRIMS, https://nationaalcohortonderzoek.nl/prims/) over de overgang van het primair naar het voortgezet onderwijs (PO-VO), waarvoor in januari-februari 2020 waardevolle data zijn verzameld onder een landelijk representatieve steekproef van groep 8-leerlingen met vragen over hun thuismilieu, hun schoolambities, en hun verwachte instroomniveau in het VO, willen we de komende maanden voorbereidingen treffen om een nieuw cohort op te starten dat volgend schooljaar in groep 8 zit (PRIMS Cohort 2). We kunnen de sociale ongelijkheid in de overgang onderzoeken, juist in tijden waarin de Eindtoets is geschrapt en de scholen twee maanden gesloten zijn geweest, en deze ongelijkheden kunnen we koppelen aan leerlingwelzijn, scholingsambities, en thuisklimaat. Deze gegevens worden gekoppeld aan schoolloopbaangegevens uit het Nationaal Cohortonderzoek Onderwijs (NCO, registerdata). De gegevens over het instroomniveau en daadwerkelijk gegeven schooladvies van het huidige cohort is aan het eind van het (volgende) schooljaar beschikbaar en koppelbaar. Tijdens de subsidieperiode van het hier voorgestelde project treffen we voorbereidingen voor cohort 2, zoals het samplen van scholen en het samenstellen van de vragenlijst. De resultaten van dit onderzoek zullen handelingsperspectieven opleveren voor het onderwijsveld, met name op beleidsniveau maar ook voor scholen en besturen. Deze handelingsperspectieven ontstaan echter pas als het hele onderzoek kan worden afgerond, en dat is in de onderhavige onderzoeksperiode niet mogelijk (omdat schoolloopbaangegevens worden gekoppeld uit de registerdata, die voor groep 8 van schooljaar 2019-2020 pas in de zomer van 2021 beschikbaar komen). De verworven inzichten zullen zeer bruikbaar zijn in de gaande maatschappelijke discussie over de centrale eindtoets, en inzicht bieden in de mate waarin de kansengelijkheid verder verminderd is (na een reeds gaande trend richting meer kansenongelijkheid zoals gedocumenteerd door de Inspectie van het Onderwijs (2016).